Lange dingen

Dingen die lang zijn.

Het einde van alles

Ik  was het einde van alles.
Ik was het punt, het moment, de plaats,
waar alles tot een einde kwam.
Eerst wat ik kende, mijn huis en mijn tuin,
vervolgens mijn buurt, mijn stad en mijn land.
Alles hield op, geen geweld of geluid,
het hield gewoon op, het stopte gewoon.
Het land was gestopt, toen stopte de zee,
daarna stopten de lucht en de vogels er mee.
De zon en de maan, onze hele planeet,
stopten gewoon, voor mijn neus, in mijn schoot.
er was geen geschreeuw, er ging niemand dood,
het hield gewoon op met blijven bestaan.
Toen ging het snel, de sterren, planeten,
en alle gedachten die men was vergeten.
En alle woorden, alle vergeefse,
alle gehoorden, en toen pas het leven.
Met als laatste het leven was de ruimte pas ledig,
en als enige over waren ruimte en tijd.
Ruimte en tijd. Ruimte en tijd.
Ruimte en tijd twijfelden even.
Ruimte en tijd wilden tijd en ruimte,
wilden elkaar, dus gingen ze samen.
Zo hielden ze op, ruimte en tijd,
en als laatste was ik er, het laatste besef,
het besef van het niets, en dat is nog iets.
Het einde moest zijn, een volledige stop,
dus als laatste hield ook ik er mee op.

Stalen Ros

Dit stalen ros, op stalen rails
Dendert door de dagen
die ooit zo vredig ver en vreemd,
op ons te wachten lagen.

Door bos en heide, stad en land
en langs de wijde zee en strand
Door dag en nacht en weer en wind,
en iedereen is aan boord

Je vader, moeder, neef en nicht
je opa met zijn pretgezicht
Je broer kijkt naar het ochtendlicht
dat helder door de ruiten gloort

De meeste mensen ken je niet,
je ziet ze nooit, of hoort ze niet
je kent geen naam, je spreekt ze niet
en de wielen rollen voort

Je doet wat, en je laat wat,
je moet wat, dus je kaart wat
En van alles wat je zegt hoop je
dat er iemand is die het hoort

En op een dag begeef je het
je laat je lichaam in de steek
dan zweef je even boven alles
alles wat ooit alles leek

Vlam

De tijd raast voort, voort, altijd maar door, voorwaarts naar de aanstormende toekomst die ons toekomt, ons toebehoort.

Strompel je voort? Mompel een woord en dompel een koord als lont in het vet,
trek het er uit als kaars, zet er strepen op, ontsteek hem en tel zo de tijd die je
kwijt bent geraakt met staren in de vlam, doe dit net zo lang, tot de angst uit je hart is gebrand en word dan het vuur,

Laai op, sta in lichterlaaie, steek aan wat je aan kunt steken, een bos, een mens, een hart, hopelijk voordat een kwart van je kaars is opgelaait, en waai dan naar daar waar het waait, waar het vuur is gezaaid, en oogst.

Oogst de hoogste vlammen, en daarna de lage,
en blaas ze van de hoogste toren, laat de verte het horen,
gooi de mooiste het eerst, en dan ook de rest,
en ontdooi al het moois wat vast is gevroren.

De helft van je kaars, twee derden misschien, nu heb je gezien wat een vuurtje kan doen, besteed een uur aan een zoen, want hoe lang is dat nou, een uur of een zoen,
altijd te kort, en altijd te snel, en altijd te lang, en altijd te traag,

En bij negen tienden, dan zie je het eind.
Maar hoe ver je ook bent, en kwart of de helft, of bijna voorbij,
en hoe koud en hoe zwart, en hoe rillend en klam,
doof nooit, nooit, nooit, nooit, nooit, nooit je vlam.

Voorbedachten rade

Ik neem je op mijn tenen mee naar mijn hol. Om je daar op afschuwelijk wijze lief te hebben. Afschuwelijk. En niemand kan je helpen. Niemand kan je helpen, want dat wil je niet. Zó afschuwelijk.

Ik vermom mezelf als lieve woordjes en kruip zo door je linkeroor naar binnen. Dan trek ik mijn woorden uit, en streel speels en teder een paar gevoelige snaren. En terwijl ik nog wat nazing in je hoofd, glijd ik zachtjes in je halsslagader. Met zachte soepele slagen wentel ik door je aderen,dan kom ik bij je hart, en klop ik rustig aan. Natuurlijk doe je open, je hoopte al dat ik het zou zijn, die net nog in je brein zo speels en teder streelde. Kom binnen zeg je, en dat doe ik dan.

Je leid me rond door je boezem, kamer hier, kamer daar, je steekt de kachel aan, en zet er een fluitketel op. We maken wat gemak voor ons twee, en wat dromen en geluk. Elke hartslag kom ik dichterbij. En dan kom jij dichterbij. Ik dichterbij, jij dichterbij. Ik. Jij. ik jij, ik jij, ik jij… We drijven op ons gemak, tussen al het geluk, de dromen, de kachel en de fluitketel. Alles komt voorbij. Alles komt voorbij zeg jij. Ja, voorbij zeg ik, en dan ren ik weg.

Ik ben weg. Door de dichtstbijzijnde hartklep, met een paar slagen weer boven. Ik schiet door je hoofd als droom, als waan, dan trek ik weer mijn woorden aan. Ik ben een gedachte, je wilt me uitspreken, ik zit in je adem, je doet je mond open, en alles wat er uit komt is mijn naam.

Ik ben weg.

Jij, terug naar je hart, de kachel uit, de fluitketel staat er wel nog op, maarja… Op de vloer liggen nog wat dromen en geluk, en wat stukken van ons gemaakte gemak.

“Ik heb je nodig” roep je me zachtjes na.

Ja. Dat weet ik. Dat is alles wat ik wou horen. Dat er iemand is die mij nodig heeft.

Godslasteraar

Één grote zandbak, één withete zon, één galg, één strop, een kleine vrouw, en een grote, uitzinnige menigte.

Iemand zet een stoel neer, een oude houten stoel, zonder lak, zonder leuning.
Iemand zet haar er op, alsof ze een varken is wat wordt geslacht.
Nog iemand trekt de strop van dik en degelijk gevlochten touw over het hoofd met het gitzwarte haar.
Het harde touw snijdt in haar hals, maar dat is wel haar laatste zorg. Letterlijk, haar laatste.
Een laatste iemand schopt de stoel weg

En dan is er feest.

De menigte zingt en drinkt en danst tot diep in de nacht rond een groot vuur, in de geur van haar verbrande haar, verkoolde vlees en geblakerde botten. Iedereen is blij.

Het zand heeft binnen een dag de sporen uitgewist. De voetsporen, de roetsporen en de bloedsporen van de dans, het vreugdevuur en de moord.