Nieuwe dingen

Dingen die nieuw zijn.

Bovennatuurlijk

Als de wind huilt, dan troost ik hem
Als de nacht valt, help ik haar overeind

Als de golven breken, dan maak ik ze
Als de wolken breken, dan houd ik ze vast

Als de aarde beeft, dan stel ik hem gerust
Als de dag aanbreekt, geef ik haar een kus

Een beekje loopt aan mijn hand
De bomen kleed ik aan en uit
Het onweer mag even boos zijn
De winter mag even broos zijn

Geen mens zal mij ooit zien
De vader van de bossen, de moeder van de zee

Het einde van alles

Ik  was het einde van alles.
Ik was het punt, het moment, de plaats,
waar alles tot een einde kwam.
Eerst wat ik kende, mijn huis en mijn tuin,
vervolgens mijn buurt, mijn stad en mijn land.
Alles hield op, geen geweld of geluid,
het hield gewoon op, het stopte gewoon.
Het land was gestopt, toen stopte de zee,
daarna stopten de lucht en de vogels er mee.
De zon en de maan, onze hele planeet,
stopten gewoon, voor mijn neus, in mijn schoot.
er was geen geschreeuw, er ging niemand dood,
het hield gewoon op met blijven bestaan.
Toen ging het snel, de sterren, planeten,
en alle gedachten die men was vergeten.
En alle woorden, alle vergeefse,
alle gehoorden, en toen pas het leven.
Met als laatste het leven was de ruimte pas ledig,
en als enige over waren ruimte en tijd.
Ruimte en tijd. Ruimte en tijd.
Ruimte en tijd twijfelden even.
Ruimte en tijd wilden tijd en ruimte,
wilden elkaar, dus gingen ze samen.
Zo hielden ze op, ruimte en tijd,
en als laatste was ik er, het laatste besef,
het besef van het niets, en dat is nog iets.
Het einde moest zijn, een volledige stop,
dus als laatste hield ook ik er mee op.

Land

Ik leef in een land, tussen lucht, land en water. Een eindeloos plat, waar de huizen en de bomen alles zijn wat recht staat. Waar de schaduwen over het gras ‘s avonds écht oneindig worden, waar het gras dat naar mij wuift. Waar de regen met me mee huilt. Soms van het lachen, en soms niet.

Stalen Ros

Dit stalen ros, op stalen rails
Dendert door de dagen
die ooit zo vredig ver en vreemd,
op ons te wachten lagen.

Door bos en heide, stad en land
en langs de wijde zee en strand
Door dag en nacht en weer en wind,
en iedereen is aan boord

Je vader, moeder, neef en nicht
je opa met zijn pretgezicht
Je broer kijkt naar het ochtendlicht
dat helder door de ruiten gloort

De meeste mensen ken je niet,
je ziet ze nooit, of hoort ze niet
je kent geen naam, je spreekt ze niet
en de wielen rollen voort

Je doet wat, en je laat wat,
je moet wat, dus je kaart wat
En van alles wat je zegt hoop je
dat er iemand is die het hoort

En op een dag begeef je het
je laat je lichaam in de steek
dan zweef je even boven alles
alles wat ooit alles leek