Nieuwe dingen

Dingen die nieuw zijn.

Briefje

De ochtend gloeit
En ik zweef ergens tussen hemel en aard
Wachtend voor de hemelpoort
door mijn onverwachte komst
Huil niet om mij, ik had niets te verliezen
Huil liever om diegenen die hier met mij staan
Die hun leven en hun lust moesten laten
Huil om hen
Het is voor hen dat de ochtend gloeit.

Aanrijding

Ik heb mijzelf al heel vaak de vraag gesteld “Waarom?”, en “Hoe kan het dat iemand zoiets doet?”. Hoe kan het dat diegene geen hulp heeft gezocht? Niet heeft uitgereikt naar eender wie? Hoe kan het dat iemand geen andere mogelijkheid ziet dan zijn leven te beëindigen tussen Amersfoort en Apeldoorn?

Er is niemand om de verantwoordelijkheid te geven, niemand die schuldig is, en er is niemand die het zag aankomen. Er is alleen iemand die zijn leven beëindigde tussen Amersfoort en Apeldoorn.

De machteloosheid neemt het over. En het verdriet. En de wanhoop, de hopeloosheid. En uiteindelijk toch de hoop. De hoop dat diegene nu ergens anders is, ergens mooiers is, dan tussen Amersfoort en Apeldoorn.

Vlam

De tijd raast voort, voort, altijd maar door, voorwaarts naar de aanstormende toekomst die ons toekomt, ons toebehoort.

Strompel je voort? Mompel een woord en dompel een koord als lont in het vet,
trek het er uit als kaars, zet er strepen op, ontsteek hem en tel zo de tijd die je
kwijt bent geraakt met staren in de vlam, doe dit net zo lang, tot de angst uit je hart is gebrand en word dan het vuur,

Laai op, sta in lichterlaaie, steek aan wat je aan kunt steken, een bos, een mens, een hart, hopelijk voordat een kwart van je kaars is opgelaait, en waai dan naar daar waar het waait, waar het vuur is gezaaid, en oogst.

Oogst de hoogste vlammen, en daarna de lage,
en blaas ze van de hoogste toren, laat de verte het horen,
gooi de mooiste het eerst, en dan ook de rest,
en ontdooi al het moois wat vast is gevroren.

De helft van je kaars, twee derden misschien, nu heb je gezien wat een vuurtje kan doen, besteed een uur aan een zoen, want hoe lang is dat nou, een uur of een zoen,
altijd te kort, en altijd te snel, en altijd te lang, en altijd te traag,

En bij negen tienden, dan zie je het eind.
Maar hoe ver je ook bent, en kwart of de helft, of bijna voorbij,
en hoe koud en hoe zwart, en hoe rillend en klam,
doof nooit, nooit, nooit, nooit, nooit, nooit je vlam.

Denkend aan Hendrik Marsman

Origineel van Hendrik Marsman:

Denkend aan Holland zie ik breede rivieren
traag door oneindig laagland gaan,
rijen ondenkbaar ijle populieren
als hooge pluimen aan den einder staan;

en in de geweldige ruimte verzonken
de boerderijen verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen, geknotte torens,
kerken en olmen in een grootsch verband.

de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige dampen gesmoord,
en in alle gewesten wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen gevreesd en gehoord.

Mijn versie:

Denkend aan Holland zie ik veel formulieren,
de ambtenarij heeft voor ieder een baan.
Stapels belasting, bergen papieren,
in schril contrast met ons vlakke bestaan.

Aan die schijnheilige drukte geklonken,
grootse afwezigheid van enig verstand
en elk vernuft wordt deskundig verdronken
in Heineken, Jupiler, Amstel of Brand.

Niemand krijgt lucht van het justitiële falen,
dat wordt in een bodemloze doofput gegooid.
Gelukkig werk ik slechts met tekst en verhalen,
dus denken aan Holland doe ik zelden of nooit.

Goebeljan

Ik knirde op mijn goebeljan
luidruchtig door de prairie
want omdat zo’n beest niet tellen kan
maakt hij maar heel veel herrie

Ach en wee, steen en been
bulderde het beest
Als de bol is meer dan één,
zijn we er geweest

Dus ach en wee en steen en been,
Zij keken naar benee
zij zagen dat de bol was één,
en knirde met ons mee.