Tekst dingen

Dingen met tekst.

Woordenvanger

Dag, ik ben de woordenvanger
ik vang de mooiste woorden

Sommige korter, sommige langer
sommige jonger, sommige oud

Sommige aaibaar, sommige banger
woorden van ijzer, woorden van hout

Ik heb er ontelbaar, zeeën van woorden
de bergen, de bosjes en het woud

Ik ben dan ook de woordenvanger
ik heb er mijn wereld mee gebouwd

Voorbedachten rade

Ik neem je op mijn tenen mee naar mijn hol. Om je daar op afschuwelijk wijze lief te hebben. Afschuwelijk. En niemand kan je helpen. Niemand kan je helpen, want dat wil je niet. Zó afschuwelijk.

Ik vermom mezelf als lieve woordjes en kruip zo door je linkeroor naar binnen. Dan trek ik mijn woorden uit, en streel speels en teder een paar gevoelige snaren. En terwijl ik nog wat nazing in je hoofd, glijd ik zachtjes in je halsslagader. Met zachte soepele slagen wentel ik door je aderen,dan kom ik bij je hart, en klop ik rustig aan. Natuurlijk doe je open, je hoopte al dat ik het zou zijn, die net nog in je brein zo speels en teder streelde. Kom binnen zeg je, en dat doe ik dan.

Je leid me rond door je boezem, kamer hier, kamer daar, je steekt de kachel aan, en zet er een fluitketel op. We maken wat gemak voor ons twee, en wat dromen en geluk. Elke hartslag kom ik dichterbij. En dan kom jij dichterbij. Ik dichterbij, jij dichterbij. Ik. Jij. ik jij, ik jij, ik jij… We drijven op ons gemak, tussen al het geluk, de dromen, de kachel en de fluitketel. Alles komt voorbij. Alles komt voorbij zeg jij. Ja, voorbij zeg ik, en dan ren ik weg.

Ik ben weg. Door de dichtstbijzijnde hartklep, met een paar slagen weer boven. Ik schiet door je hoofd als droom, als waan, dan trek ik weer mijn woorden aan. Ik ben een gedachte, je wilt me uitspreken, ik zit in je adem, je doet je mond open, en alles wat er uit komt is mijn naam.

Ik ben weg.

Jij, terug naar je hart, de kachel uit, de fluitketel staat er wel nog op, maarja… Op de vloer liggen nog wat dromen en geluk, en wat stukken van ons gemaakte gemak.

“Ik heb je nodig” roep je me zachtjes na.

Ja. Dat weet ik. Dat is alles wat ik wou horen. Dat er iemand is die mij nodig heeft.

Verzonnen vrouw

Ik heb een keer een vrouw verzonnen
zij was mijn hartedief
ik ben toen iets met haar begonnnen
mijn god was was ze lief

Altijd als ik sliep, was zij er in mijn dromen
en altijd als ik waakte lag zij te slapen tussen mijn oren
als ik dan stil was en even niet bewoog
kon ik, heel zachtjes, haar ademhaling horen

Niks

Niks, leeg, kale vlakte
dorre droogte, kille nachten
dagen wachten, en dan weer
leeg, stuk, weg
vergaan, maar door wat?
Niks, leeg, kale vlakte,
dorre droogte, kille nachten.

Godslasteraar

Één grote zandbak, één withete zon, één galg, één strop, een kleine vrouw, en een grote, uitzinnige menigte.

Iemand zet een stoel neer, een oude houten stoel, zonder lak, zonder leuning.
Iemand zet haar er op, alsof ze een varken is wat wordt geslacht.
Nog iemand trekt de strop van dik en degelijk gevlochten touw over het hoofd met het gitzwarte haar.
Het harde touw snijdt in haar hals, maar dat is wel haar laatste zorg. Letterlijk, haar laatste.
Een laatste iemand schopt de stoel weg

En dan is er feest.

De menigte zingt en drinkt en danst tot diep in de nacht rond een groot vuur, in de geur van haar verbrande haar, verkoolde vlees en geblakerde botten. Iedereen is blij.

Het zand heeft binnen een dag de sporen uitgewist. De voetsporen, de roetsporen en de bloedsporen van de dans, het vreugdevuur en de moord.