Godslasteraar

Één grote zandbak, één withete zon, één galg, één strop, een kleine vrouw, en een grote, uitzinnige menigte.

Iemand zet een stoel neer, een oude houten stoel, zonder lak, zonder leuning.
Iemand zet haar er op, alsof ze een varken is wat wordt geslacht.
Nog iemand trekt de strop van dik en degelijk gevlochten touw over het hoofd met het gitzwarte haar.
Het harde touw snijdt in haar hals, maar dat is wel haar laatste zorg. Letterlijk, haar laatste.
Een laatste iemand schopt de stoel weg

En dan is er feest.

De menigte zingt en drinkt en danst tot diep in de nacht rond een groot vuur, in de geur van haar verbrande haar, verkoolde vlees en geblakerde botten. Iedereen is blij.

Het zand heeft binnen een dag de sporen uitgewist. De voetsporen, de roetsporen en de bloedsporen van de dans, het vreugdevuur en de moord.