Vlam

De tijd raast voort, voort, altijd maar door, voorwaarts naar de aanstormende toekomst die ons toekomt, ons toebehoort.

Strompel je voort? Mompel een woord en dompel een koord als lont in het vet,
trek het er uit als kaars, zet er strepen op, ontsteek hem en tel zo de tijd die je
kwijt bent geraakt met staren in de vlam, doe dit net zo lang, tot de angst uit je hart is gebrand en word dan het vuur,

Laai op, sta in lichterlaaie, steek aan wat je aan kunt steken, een bos, een mens, een hart, hopelijk voordat een kwart van je kaars is opgelaait, en waai dan naar daar waar het waait, waar het vuur is gezaaid, en oogst.

Oogst de hoogste vlammen, en daarna de lage,
en blaas ze van de hoogste toren, laat de verte het horen,
gooi de mooiste het eerst, en dan ook de rest,
en ontdooi al het moois wat vast is gevroren.

De helft van je kaars, twee derden misschien, nu heb je gezien wat een vuurtje kan doen, besteed een uur aan een zoen, want hoe lang is dat nou, een uur of een zoen,
altijd te kort, en altijd te snel, en altijd te lang, en altijd te traag,

En bij negen tienden, dan zie je het eind.
Maar hoe ver je ook bent, en kwart of de helft, of bijna voorbij,
en hoe koud en hoe zwart, en hoe rillend en klam,
doof nooit, nooit, nooit, nooit, nooit, nooit je vlam.